Mijn slaapkamertje en hoe ik mijzelf naar bed bracht

Dit is een gastcolumn van Johanna.

Uiteraard kan ik mijn eigen babytijd mij niet meer bewust herinneren. Wel weet ik nog dat ik toen ik nog geen vier jaar oud was, ’s avonds zeer bijtijds al alleen naar mijn bedje weer gestuurd. Hiervoor moest ik de trap op naar de bovenverdieping. In mijn kinderherinnering was het een lange, hoge trap met een bocht naar rechts, die ik beklom. In eerste instantie moest ik naar een ‘room without a view’. Tot grote hilariteit van mijn moeder werd keer op keer aan visite maar ook tegen mij verteld dat mijn kamertje eigenlijk het kolenhok was geweest.

In het begin sliep ik in dus in dat bewuste kamertje. Het kolenhok van destijds was leeggehaald, schoongemaakt en behangen. Daar stond mijn witte kinderledikantje. Er waren geen ramen. Er zat ook geen raam in de deur. Het was er heel klein en donker. Wellicht is toen de basis van mijn voorliefde voor grote en uitgestrekte landen gelegd. Dit is ‘psychologie van de koude grond’ maar het zou mij niets verbazen.

Ik voelde me verlaten in dat kamertje. Ik heb er geen claustrofobie aan overgehouden, maar heb nooit begrepen waarom ik altijd alleen naar boven moest en een kamertje zonder licht kreeg. Later kreeg ik op diezelfde verdieping een ander kamertje. Met zeil op de vloer en een raam waar ik door heen kon kijken. Maar ook toen moest ik alleen naar boven en naar bed.

Sporadisch vroeg de juffrouw op de kleuterschool welke verhaaltjes mij voor het slapen werden verteld. Ik zal beslist een of ander raar antwoord hebben gegeven, want ik werd nooit voorgelezen voor het slapen gaan, laat staan geknuffeld en lekker toegestopt. Des te groter mijn vreugde als ik bij de oudste broer van mijn vader en diens vrouw mocht logeren. Mijn oom en tante waren lieve, warme en gezellige mensen. Heel fijn vond ik het daar. Ik kreeg daar zoveel aandacht en de knuffels waar ik altijd zo naar verlangde.

Johanna

Geef een reactie