Wie denk je dat je bent?

Dit is een gastcolumn van Cara

Mijn moeder zei altijd dat ik hard moest worden aangepakt. De juffen op school hadden echter het liefst tien kinderen zoals ik in de klas. Het lag dus niet aan moeilijk gedrag dat ik hard moest worden aangepakt. Het kwam doordat er op onbewust niveau werd gesleuteld aan mijn authenticiteit en ik op dezelfde onbewuste manier probeerde te ontkomen aan dit destructieve proces. Moeder wilde niet dat ik eraan ontkwam. Ze wilde blijven sleutelen tot ik een verlengstuk van haar zou zijn geworden.

Mijn moeder zag de discrepantie in mijn persoonlijkheid. Dat ik meer begreep dan dat ik kon verwerken. Daardoor was ik enerzijds kwetsbaar, anderzijds beschikte ik over capaciteiten die bedreigend waren. Het was de kwetsbaarheid waarom ze me koos als doelwit, mijn capaciteiten schakelde ze moeiteloos uit. Door me hard aan te pakken dacht ze te voorkomen dat aan het licht zou komen wat ze zo zorgvuldig verborgen wilde houden. Dat ik met mijn denktalent de verbanden zou leggen en haar masker er af zou trekken om haar ware gezicht bloot te leggen. Want dan zou blijken dat niets van wat ze deed, goed bedoeld was voor een ander. Dat haar hang naar aandacht dusdanig ziekelijk was, dat alles ervoor moest wijken. Dat ze bepaalde personen uitzocht die bereid waren haar die aandacht te geven. Dat ze van niemand heeft gehouden, maar zwaar geobsedeerd was door haar eigen persoon.

Mijn talent in denken kon ze niet uitschakelen, wel manipuleren, mijn beleving verstoren. Ze isoleerde me door te voorkomen dat ik me bond aan anderen. Ze praatte altijd negatief over iedereen. Dat het schadelijk was wat ze deed merkte niemand op, aangezien ze haar bevindingen overgoot met een liefdevol sausje. Mijn vader was autoritair, zei ze, maar kon er niets aan doen vanwege zijn slechte jeugd. Mijn tante praatte altijd over zichzelf, maar kon er niets aan doen vanwege haar humeurige man, aldus mijn moeder. En zo was er met iedereen iets aan de hand, mentaal of emotioneel. En mijn moeder was daarvan altijd het slachtoffer. Zij was degene die het allemaal maar moest ondergaan. Ze deed een beroep op mijn empathische vermogen. Ik was in staat me in te leven en met haar mee te voelen, net zo lang en dusdanig dat ik me alleen nog maar op haar focuste. De relaties met de rest van het gezin hebben zich nooit op een normale manier kunnen ontwikkelen. Ik kan me niet herinneren ooit een persoonlijk gesprek te hebben gevoerd met mijn vader. Ze stond als een scheidingswand tussen mij en de wereld. En keer op keer werd ik op subtiele en achterbakse wijze afgewezen of genegeerd. Ik bevond me op een eenrichtingsweg die uiteindelijk doodliep.

Zo kreeg ik verjaardagscadeaus waar ik niets aan had. Ik kreeg een pop, terwijl ik nooit met poppen speelde, of ik kreeg een spelletje ‘Mens Erger Je Niet’, terwijl ik niet van spelletjes hield. De verjaardagspartijtjes regisseerde ze op zo’n manier, dat ze zelf de hoofdrol had. Al weken van te voren was ze bezig met het breien en haken van poppen en dieren, die de kinderen kregen wanneer ze een spelletje hadden gewonnen. Uiteraard, aan het eind van het feestje, kreeg elk kind een cadeau mee naar huis. Het lijkt onschuldig, maar met de wetenschap van nu, weet ik dat het een manier was om aandacht te trekken; ze was uit op complimenten. Met Sinterklaas kreeg ik niets, aangezien ik net jarig was geweest. Ondertussen werd er van mij verwacht een perfect kind te zijn. Voldeed ik niet, dan volgden er corrigerende gesprekken. Ik liep rond in door mijn moeder zelfgemaakte kleding en mocht niet zelf kiezen wat ik droeg. In huis was alles altijd spik en span. Om de twee jaar werd er opnieuw behangen, geverfd en gesaust. Een perfect plaatje voor de buitenwereld.

Wat de impact was, bleek uit mijn schoolresultaten. Deze gingen achteruit naarmate de jaren vorderden. “Ik deed niet genoeg mijn best”, was het relaas. Dat ik meer dan mijn best deed om te overleven en daarnaast nog steeds gemiddeld scoorde, terwijl dat in de eerste klas nog bovengemiddeld was, viel wel op, maar was allemaal aan mezelf te danken. Al op jonge leeftijd had ik lichamelijke klachten zoals verkrampte spieren in de nek en hoofdpijnen die wezen op een hoge mate van stress. Tot mijn twaalfde mocht ik nog buiten spelen met andere kinderen, daarna niet meer. De pubertijd was een bedreiging. Loslaten was moeilijk zei mijn moeder vaak. Maar dat was een understatement.

Ze zat me voortdurend op de huid. Volgens haar was ik te veel in mezelf gekeerd, stiekem, onverschillig en volstrekt onbetrouwbaar. Toen ze me betrapte met een sigaret, kreeg ik tijdens een zoveelste ‘corrigerend gesprek’ te horen dat ik haar vertrouwen voor altijd had beschaamd. Dat er veel moest gebeuren, wilde ik het vertrouwen terugwinnen. Dat ze zelf rookte als een schoorsteen, deed hier niets van af.

Ze pleegde karaktermoord en het bleef niet binnenshuis. Ik kreeg lucht van roddels in het dorp en ver daarbuiten. Ik werd steeds vaker met een scheve blik aangekeken of genegeerd. En alsof dat nog niet genoeg was, ontnam ze me mijn vrouwelijkheid, mijn golvende lange haar, waarmee ik mogelijk zou kunnen verleiden en me zou binden aan anderen. Daarvoor zette ze mijn tante in. Wanneer mijn haar in meer laagjes geknipt zou zijn dan zou het mooier vallen, aldus mijn moeder. Ogenschijnlijk liefdevol streek ze met haar hand door mijn haar. Mijn tante knipte op aanwijzingen van moeder. Al snel bleek het model niet meer te redden, een kwartier later was ik gekortwiekt. Op steun of medeleven hoefde ik niet te rekenen. Mijn tante heeft in mijn beleving nooit door gehad dat ze werd ingezet om rotklusjes voor mijn moeder op te knappen. En dat het mijn moeder goed uitkwam dat ik mijn tante, met wie ik nog wel eens het een en ander besprak, na het voorval niet meer bezocht.

Ook mijn vader is regelmatig ingezet om straffen uit te delen of bewijsstukken van fout gedrag te verdoezelen. Maar hij werd ook ingezet zonder dat hij daar direct in werd betrokken. Zo werd ik eens midden in de nacht met zogenaamde paniek door mijn moeder gewekt. Volgens haar was mijn vader iets verschrikkelijks overkomen, aangezien hij om twee uur in de nacht nog niet thuis was gekomen uit de voetbalkantine. Mijn moeder was bang dat hij dood in de bosjes lag en liet mij op haar aanwijzingen checken of hij daar lag. Ik vond mijn vader niet. Weer thuis zei mijn moeder dat ik maar weer moest gaan slapen. Het duurde een tijdje voor ik weer insliep. De volgende ochtend ontkende mijn moeder het voorval, toen ik vroeg hoe het was afgelopen.

Mijn vader overzag het drama in zijn leven toen hij op vijftig jarige leeftijd op het randje van de dood balanceerde. Maar toen was het te laat. Hij was dusdanig beschadigd, dat hij zich niet goed meer kon uiten. Afasie na een herseninfarct, was de diagnose. Een poging deed hij nog wel, probeerde een verpleegster duidelijk te maken hoe de vork in de steel zat, maar deze betrokken verpleegster kon niets met het warrige verhaal dat hij probeerde te vertellen. Hoe het met de zorgzaamheid van moeder richting mijn vader werkelijk gesteld was, bleek tijdens deze gebeurtenis. Op de dag van het infarct, heeft ze ’s ochtends de huisarts gebeld, en is vervolgens ‘gewoon’ naar haar werk gegaan. Ze heeft mij laten opdraaien voor de zorg van mijn vader gedurende deze dag. Mijn vader kon op dat moment nauwelijks praten en zelfstandig lopen. Bovendien hing zijn mond scheef. Het was duidelijk te zien dat de situatie ernstig was. De huisarts echter was blijkbaar niet doordrongen van de ernst. Hij kwam pas aan het eind van de dag langs. Daardoor heeft het infarct veel schade aan kunnen richten. Volgens mijn moeder was het de straf van god, mijn vader kon immers niet met autoriteiten omgaan. ‘Het was nodig dat hij nederig werd’.

Ze sprak trouwens vaker over zichzelf in de derde persoonsvorm of in meervoud. Mijn vader was beschadigd, maar mijn moeder gedroeg zich als het slachtoffer. Ze klaagde steen en been over hoe moeilijk het leven was geworden met een man die je volgens haar niet meer voor vol aan kon zien. Binnen de sektarische geloofsgemeenschap waar ze me mee naar toe sleepte, werden de schroeven van isolement en destructiviteit verder aangedraaid. Daar leerde ik dat ik ‘uitverkoren’ was. Dat god mij had uitgekozen solidair te zijn met mijn zondige karakter. Deze speciale positie was niet vrijblijvend. Dat wil zeggen, hij was bereid mijn zonden te vergeven in ruil voor volledige overgave. De boodschap had lading. De inhoud, daar worstelde ik mee. Ik vond het lastig me over te geven aan iets of iemand waar ik nog nooit iets van had vernomen. Dat had te maken met tegendraadsheid, werd er gezegd. “Je moet het wel willen”. En ik wilde dolgraag aan alle verwachtingen voldoen, kende immers ook geen andere manier van leven. De vragen die ik had over tegenstrijdigheden, stopte ik diep weg in mijn onderbewuste. Jarenlang waande ik me veilig door me volledig onder te dompelen in het bad van genade. Maar zelfs binnen de geloofsgemeenschap werd het niet getolereerd dat ik relaties opbouwde.

Steeds meer en meer raakte ik de verbinding met de wereld om mij heen kwijt, maar meer nog de verbinding met mezelf. Op een automatische manier zette ik mijn eigen gevoelens en behoeftes aan de kant. Altijd. Het verklaart dat ik op latere leeftijd continue verkeerde types aantrok. Steeds vaker werd ik het doelwit van seksuele intimidaties, een verkrachting en narcistisch gedrag. Het was de enige wereld die ik kende. Wonder boven wonder is het toch gelukt een eigen nest te bouwen. Maar ik besef heel goed dat wanneer de man die zijn zinnen op mij zette, geen initiatief hierin had genomen en niet door mij heen had geprikt en zich iets had aangetrokken van alles roddels over mij, het er nooit van was gekomen.

Initiatieven nemen in het leggen van contacten nam ik allang niet meer, of slechts schoorvoetend. Wanneer iemand toch probeerde een relatie met mij op te bouwen, dan wimpelde ik dat zelfs af door iets stoms te doen of te zeggen. Daarna begon het piekeren, waarom ik vredesnaam zo dom had gedaan. Maar hoe lang ik ook piekerde, ik kwam er niet uit. Vaak sliep ik slecht, lag als een strak gespannen veer lang te woelen. Maar nog steeds had ik geen besef van de pathologische problematiek die mijn leven bepaalde. En deze onwetendheid maakte dat de storm om ons heen gewoon door kon blijven razen. Ook nadat we getrouwd waren. Sterker nog, naarmate mijn man en ik steeds meer ons eigen leven gingen leiden, werd de situatie steeds agressiever, absurder en bedreigender. Toen ik zwanger raakte, viel de reactie van mijn ouders tegen. De blijdschap die ik voelde, werd niet gedeeld. In de maanden na een heftige en traumatische eerste bevalling huilde mijn zoontje bijna aan een stuk, behalve wanneer ik hem tegen me aan hield. Uren lang liep ik uitgeput met mijn pasgeboren baby op de arm. “Jou zette ik onder de ijsskoude douche als je huilde” zei mijn moeder wanneer ik erover vertelde. “Dat hoef je maar een keer te doen, het huilen stopt dan vanzelf”.

De tweede bevalling ging ik iets vlotter, omdat ik beter voorbereid was, maar duurde nog steeds traumatisch lang. De derde keer vroeg ik om een keizersnede. Er was geen medische grondslag, maar de gynaecoloog die betrokken was geweest bij de eerste twee bevallingen ging ermee akkoord. De datum van de bevalling werd gepland. Twee dagen voor de bevalling claimde mijn moeder me een nacht lang tijdens een ménière aanval. Ik moest haar verzorgen, mocht niet van haar ziekte-bed wijken. Tijdens die nachtelijke uren lang zat ik op een keukenstoel, met mijn dikke buik en opgezwollen enkels naast haar. Ze kermde en kreunde de hele nacht, liet me de dokter bellen, maar deze weigerde te komen. Bij mij is de indruk ontstaan dat ze het niet kon verdragen dat ik opnieuw een kindje zou krijgen met wie ze mijn aandacht moest delen. Ook zijn er achteraf signalen geweest dat ze de aanval heeft gefaket. Onbewust werd er nieuw hoofdstuk toegevoegd aan de lijst van traumatische gebeurtenissen. De lijst is lang, veel langer dan beschreven in deze blog. Het hele verhaal kent genoeg stof voor een boek.

Toen ik halverwege de 30 was en de meest heftige tropenjaren, waar je als jong gezin mee te maken hebt voorbij waren, kreeg ik steeds meer ruimte om zaken te overdenken. Had ik tot dan mijn moeder op een voetstuk staan, ik begon me steeds meer te storen aan haar slachtoffer gedrag. Als ook aan de manier waarop ze zich bemoeide met mijn gezin. Ondertussen had haar gif zich als een olievlek uitgespreid en bedreigde ons huwelijk en de band met onze kinderen. Doordat ze wekelijks bij ons over de vloer kwam, en mijn man en kinderen regelmatig alleen trof, kreeg ze de gelegenheid ons uit elkaar te drijven. Tegen mijn man sprak ze negatief over mij. Tegen mij sprak ze negatief over mijn man. Maar mijn brein was niet meer te stoppen. Ik werd steeds kritischer over alles. Ook binnen de geloofsgemeenschap bleef mijn kritische houding niet onopgemerkt. Er volgde een reeks van ongewenste en absurde pogingen tot dwingende controle, waaronder seksuele intimidaties en stalkgedrag.

Ik bevond me op de bodem van de put. Ik sliep nauwelijks nog, meestal twee of drie uurtjes per nacht, en zag het leven niet meer zitten. Mijn hoofd stond niet meer stil, ik piekerde aan een stuk. Het was als met een opgeblazen ballon dat je onder water probeert te duwen. De vragen over alle tegenstrijdigheden, die ik in mijn onbewuste had weggestopt, knalden nu keihard in mijn gezicht terug. En ik wilde antwoorden. Ik maakte melding van het misbruik binnen de gemeenschap, maar werd niet serieus genomen. Sterker nog, het was mijn eigen schuld, ik was door de duivel bezeten. Deze manier van victim blaming was de nekslag. Ik stortte in en begon me terug te trekken. Was doodsbang. Ik was een schim die constant op haar hoede was.

Langzamerhand hebben we met alles en iedereen buiten ons gezin gebroken. We verhuisden naar een ander dorp. Na verloop van tijd en door de afstand kregen we lucht. Ruimte om onze eigen weg te zoeken. Ons huwelijk knapte weer op, mijn mentale gezondheid niet. Toch duurde het nog lang voordat ik hulp zocht. Nog jaren dacht ik het zelf wel op te lossen, de impact totaal niet goed ingeschat. Een referentie punt had ik immers niet. Wanneer je voor het eerst met een narcist te maken krijgt op latere leeftijd en je hebt de moed daaraan te ontsnappen, dan kun je teruggrijpen naar je zijnstoestand van voor de periode met de narcist. Zo’n periode heb ik niet gehad, ik wist niet beter. Dankzij de goede behandeling die ik kreeg bij een GGZ, werd het snel duidelijk. Het werkboek van Iris Koops dat zij mij aanraadden was hierin cruciaal. Ik was slachtoffer van narcistisch misbruik en leed aan Complex PTSS. Bovendien bleek ik te beschikken over zijnskenmerken van hoogbegaafdheid. Aan de ene kant bleek ik beperkt, aan de andere kant over bijzondere capaciteiten te beschikken. Ik kon het moeilijk geloven en accepteren.

De afgelopen drie jaren nadat de diagnose gesteld is, heb ik nodig gehad om balans te vinden. Wat kan ik met mijn capaciteiten en in hoeverre ben ik beperkt door de stressstoornis. Inmiddels heb ik meerdere operaties moeten ondergaan aan mijn nek en handen ten gevolge van de voortdurende stress. Elke dag neem ik verschillende supplementen om de chronische pijnen te bestrijden en mijn hersenactiviteiten tot rust te brengen, zodat ik in de nacht kan slapen. Mijn gehele zenuwstelsel is compleet ontregeld. Inmiddels ben ik ervan overtuigd dat mijn denktalent enerzijds voor problemen heeft gezorgd, anderzijds mijn redding is geweest. Ik bleek in staat verbanden te leggen en een conclusie te trekken die me uiteindelijk naar de uitgang heeft geleid.

Dit verhaal is in de verleden tijd geschreven, maar dat betekent niet dat mijn moeder is overleden. Ze leeft nog en is inmiddels rond de zeventig. Het contact is al jaren verbroken. Dat ik verbanden heb kunnen leggen, signalen heb opgepikt en conclusies heb kunnen trekken, wil niet zeggen dat alle vragen beantwoord zijn. Ben ik werkelijk als kleutertje ‘zomaar’ uit de armen van mijn moeder van de trap gevallen? En is het werkelijk waar dat mijn kleine babybroertje in het ziekenhuis werd opgenomen nadat hij ‘zomaar’ uit het niets blauw aanliep en bewusteloos raakte? En zo zijn er nog meer vragen waar ik nooit antwoord op zal krijgen. Dit boek zal nooit sluiten, zolang ik leef. Er zal nooit erkenning komen. Ze zal de confrontatie met zichzelf nooit aangaan. Ik ben degene die het contact heeft verbroken, aldus mijn moeder. De werkelijkheid is dat zij degene is, die een normaal gezond contact met haar dochter nooit is aangegaan. Ze neemt het me kwalijk dat ik haar de omgang met de kleinkinderen ontneem. Maar wanneer je ervoor kiest je moederrol op een dergelijk afschuwelijke manier te misbruiken, dan kun je geen beroep doen op de rol van grootouder of welke rol dan ook.

5 gedachten over “Wie denk je dat je bent?”

  1. Cara,

    Dank je wel voor je enorm herkenbare verhaal.

    Het is zo bizar om jouw verhaal te lezen en 80% inclusief de rol van de geloofsgemeenschap.

    Dit is ook mijn verhaal. Als ie schrijft: “Het verklaart dat ik op latere leeftijd continue verkeerde types aantrok. Steeds vaker werd ik het doelwit van seksuele intimidaties, een verkrachting en narcistisch gedrag…” dan komen bij mij de tranen.

    Ik heb nooit begrepen waarom ik het sexueel misbruik “niet zag aankomen”. Maar sinds ik de boeken van Iris heb gelezen en hulp heb gezocht met therapeuten die álles over ‘stil narcisme’ weten, begrijp ik mezelf vele malen beter.

    Ik heb veel in mijn jonge leven ook niet kunnen en mogen leren. Dat doe ik nu. Nu kom ik eindelijk bij mezelf thuis. Momenteel zit ik letterlijk middenin de verhuizing en begin van mijn eigen leven.

    We gaan het zéker redden. Nu we weten waarom.

    Take care,
    SummerMoon

  2. Och Cara, wat een vreselijk leven heb jij gehad zeg. De tranen van herkenning liepen me over de wangen toen ik las over de zoontje, dat hij zo huilde…. Ik heb hetzelfde meegemaakt maar nooit de verbanden gelegd. Heden ten dage schieten me nog vaak dingen te binnen. Het komt met een narcistische ouder altijd op hetzelfde neer: voor de buitenwereld lijkt alles perfect. Mijn moeder kon met 1 opmerking mijn goede humeur verpesten. Als ik met haar samen bijvoorbeeld ergens een markt bezocht en ik met een kennis stond te praten, en zij dus even niet in de belangstelling stond, trok ze me (terwijl ik al dik in de 60 was) aan mijn arm mee, onderwijl opmerkend: nou kom op, we gaan. Het lijken allemaal van die kleine voorbeelden, maar onderhuids voelt het zo vernederend. Ik wens jou heel veel sterkte Cara, en echt hoor, geloof mij: jij komt er wel, heb vertrouwen in je eigen kracht, en die is volop aanwezig. Laten we zulke moeders geen aandacht meer geven, ze hebben al meer dan genoeg van ons gevraagd!
    Met een warme groet,
    Maria

  3. Lieve Cara,

    Kippenvel. Ik zie je, ik voel je. En ik waardeer je om je ongelofelijke kracht die door de woorden heen stroomt. De kracht om dingen te doorzien voor wat ze zijn. Het vertrouwen in je eigen ik, in hoe je de dingen nu ziet. Ik herken veel. Ook al is het ‘jasje’ anders, het verhaal anders. De onderliggende principes komen binnen.

    Ik hoop dat je loskomt van de erkenning die je nooit zult krijgen. En dat je ziet dat jij jezelf die erkenning hebt gegeven. Voor hoe het echt zit. En dat je rust vindt in ‘het gebrek’ van je moeder. Haar onvermogen. Ik worstel daar zelf nog mee. Want er worden wel degelijk steeds herhaaldelijk zo lijkt, heel bewust schadelijke keuzes gemaakt door de narcistische persoon. En toch doorzien zij het grotere plaatje niet. Ze zien zichzelf niet voor wat ze zijn. Want ze kennen de andere kant simpelweg niet. Alleen als je die kent en kunt snappen (moraal voelen etc) kun je een keuze maken. Precies wat je zegt als de ontmaskering dichtbij komt, wordt het bedreigend. Bedreigend voor hun echte ik, om die te moeten zien. En eerlijk, jezelf echt zien voor die giflelijke werkelijkheid lijkt me iets die ze gewoon niet aankunnen. Om dezelfde reden dat ze zo geworden zijn. Daarmee zeg ik niet dat ze ‘onschuldig’ zijn. En dat wij geen grenzen mogen trekken. Die mogen we wel trekken en moeten we trekken voor ons eigen geluk en gezondheid. Ik leer steeds meer dat dingen naast elkaar kunnen bestaan die contradictief lijken. Ik trek een grens, weet dat ik mishandeld ben, en heb geen begrip voor de daden. En tegelijkertijd zie ik het als ‘zielig’. Zo gevangen te zitten in die coping strategie en daarmee mensen te verliezen, nooit echt verbinding aan te kunnen gaan en te ervaren. En het zelf niet te zien en te begrijpen. Dat vind ik juist zo eng er aan. Ze geloven het ECHT. Net als je moeder waarschijnlijk echt gelooft dat zij slachtoffer is. Dat is niet zo, maar ik heb zelf het idee dat ze dit niet alleen zichzelf wijsmaken zoals ieder mens wel eens doet met dingen die moeiloijk te verkroppen zijn aan onze eigen schaduwkanten. Zij geloven het echt. Dat maakt het ook zo onmogelijk, zo hopeloos zinloos om er tegen te strijden.

    Je bent een ijzersterke vrouw die zichzelf heeft gegeven wat ze nodig had. Diep respect voor en voor hoe je het op hebt geschreven. Dank. Het geeft me gevoel begrepen te worden en niet alleen te zijn.

  4. ik herken wel dingen in je verhaal alleen heb ik nu nog vaak twijfels of het aan mijzelf ligt of dat mijn ouders mij zo bespelen zonder dat ik het door heb. Mijn moeder is ook het slachtoffer, zichzelf opofferen en wegcijferen terwijl mijn vader dominant en narcistisch is. Ze zijn van de week weer een keer op bezoek geweest na lange tijd, wel buiten hoor in de tuin voor een uur, maar mijn vader is degene die bijna continue aan t woord is. Vaak worden er dingen gezegd in het mom van ‘zorg je wel goed voor jezelf?’ om mij afhankelijk te maken. Bij mijn vader draait het om wat je doet, dat bepaald je eigenwaarde. Mijn moeder voelt zich daarom ook waardeloos maar toegeven zal ze het nooit. Ze vonden het bezoek geslaagd zei mijn moeder. Ik in eerste instantie ook wel maar als ik het evalueer dan heeft t mij alleen energie gekost. Ik merk wel dat ik meer persoonlijke afstand kan bewaren, dat ik me de dingen niet meer zo aantrek wat ze zeggen. Maar behoefte om ze weer te zien heb ik eigenlijk niet. Al denk je dan wel; ‘het zijn toch je ouders’, ze zijn al behoorlijk oud ook. Tja de emotionele binding is gewoon een stuk minder geworden.

  5. Voor mijn gevoel achtervolgde mijn moeder mij overal, op de lagere school was ik , volgens en voor haar, thuis een heel lastig kind. Op school deed ik mijn mond niet open. Was erg stil, durfde niets. Op de MMS gingen ze ( nonnen) mij zien en behandelen als een lastig kind, onhandelbaar en waar wat aan mankeerde.
    Op mijn verpleegstersopleiding werd ik regelmatig op het matje geroepen en gecorrigeerd, want ik deed alles fout en moest liever voor mijn moeder zijn. ( wat had dat met mijn opleiding te maken?)
    Toen ik de kraam in ging om mijn ooievaartje te halen, wist de leiding allerlei dingen over mij te vertellen die ik naar niemand had uitgesproken. Ook hier zat mijn moeder achter. Veel later ga je verbanden leggen.
    Jaren na mijn huwelijk kwam ik erachter dat mijn man dat ( karaktermoord) ook over mij had en heeft gedaan , vriendinnen bleven weg, slechter contact met ex schoonfamilie, met mijn familie en ook met de kinderen. Het gaat nog steeds door ook al ben ik 21 jaar geleden van hem gescheiden.
    Sinds 8 jaar geen contact meer met mijn kinderen en mag ik mijn kleinkinderen niet meer zien ( ouder – en grootouderverstoting). Zij draaien de rollen om en zeggen dat ik de narcist ben, doen mij broers ook. De relatie met hen is nooit goed geweest en al jaren verstoord. We waren geen gezin, ik stond er buiten. Zij geloofden wat moeder over mij zei en zelfs jaren na haar dood, nu, is dat nog zo.
    Als 11 jarige, daags na de dood van mijn maatje, mijn vader, voelde ik diep van binnen dat ik nu helemaal aan haar was overgeleverd. Het voelde als een gevangenis.
    Op zijn sterfbed had mijn vader aan zijn jongste broer verteld dat hij het zo erg vond dat zijn 3 kinderen nu aan haar overgeleverd waren, dit hoorde ik pas van mijn oom toen ik al getrouwd en moeder was. Ik had een lijst met vragen gemaakt en zonder dat ik ze hoefde te stellen , gaf mijn oom alle antwoorden. Mijn man zei later: ‘het is dat ik er bij was, anders had ik je niet geloofd”.
    Mijn vader heeft toen aan zijn broer dingen verteld die te erg zijn om door te vertellen, zei mijn oom tegen mij en hij heeft ze niet aan mij verteld.
    Nu ik ( 71) eindelijk de moed heb om hierover, gematigd, te spreken, willen mijn kinderen en broers mij nog steeds de mond snoeren. Ik ben de leugenaar, zielig en in de slachtofferrol. Ze zien niet, kunnen niet zien, dat het anders is. Wanneer stopt dit?
    Mijn moeder is allang overleden, ik ben 21 jaar gescheiden en nog geen erkenning.
    Toch ben ik nu gelukkig, alleen en zonder mijn kinderen en kleinkinderen. Heb een goed sociaal leven opgebouwd, heb werk, ben gezond en voel me prima. Daar hou ik me aan vast, wat ze ook over mij denken of zeggen.
    Ik ga steeds meer in mijzelf geloven.
    Dank voor dit artikel en sterkte voor iedereen, jullie zijn stuk voor stuk TOPPERS! Ga door!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *