Mijn vader was geen vader

Dit is weer een gastcolumn door Annabel.

Ceci n’est pas un père

Met zijn werk “Ceci n’est pas une pipe” wilde René Magritte aangeven dat hetgeen je waarneemt geen echte pijp is, maar een afbeelding van een pijp, een schilderij.
Ik kijk naar een foto van mijn vader. Wat zie ik, wie zie ik? Ik zie geen echte vader, maar een afbeelding van een vader.

Wat de buitenwereld van mijn vader – de narcist – te zien kreeg, was een afbeelding , een schijnwerkelijkheid. Hij zag zichzelf als de meest fantastische vader die er was en zo wilde hij ook overkomen naar buiten toe. Hij was de grote weldoener – zo moest ik hem als klein kind in het bijzijn van anderen ook noemen. Immers: alles had hij voor zijn kinderen over en wat deden andere vaders het toch altijd slecht! Maar wat waren wij toch altijd ondankbaar, wat leverden wij toch altijd een kritiek op hem…
Zelf zie ik het inmiddels heel anders.

Het enige wat er voor hem toe deed was het overeind houden van zijn zelf gecreëerde imago. Van binnen was hij hol en leeg. Hij had geen gevoel van eigenwaarde. Om zijn imago overeind te houden had hij constant voeding nodig. Vaste donoren waren mijn moeder, mijn zus en ik.
Niets mochten wij zelf bepalen. Hij bepaalde onze levens tot in detail, bemoeide zich overal mee. Eten: wat, wanneer en hoeveel. Eenmaal op de middelbare school heb ik hemel en aarde moeten bewegen om toch alsjeblieft mijn eigen brood te mogen maken. Ik wilde dolgraag koken. Mocht niet. Nog niet toen ik 19 jaar oud was, want ik zou zijn eten wel eens kunnen verpesten.
Kleding, haar, make-up, slaap, toiletbezoek (!), school, schoolkeuze, sport, wat je las, keek, luisterde, met wie je omging. Isoleren, controleren – gek werd ik er van. Alleen op zaterdag kreeg ik even lucht, dan was hij een paar uur weg voor zijn werk.
De narcist exploiteert zijn slachtoffers, dag in, dag uit.
Als hij je dan toch een moment niet nodig had, als je hem dus verveelde, of als hij vond dat je naar bed moest, ging hij gapen. Dat gapen van hem! Niet een beetje, maar met geluid, zo hard en verveeld mogelijk, met zijn mond wijd opengesperd en nadrukkelijk naar het object van zijn verveling toegewend.

Soms verbaas ik mij er zelf over dat ik niet in een dwangbuis naar een inrichting afgevoerd ben om daar de rest van mijn leven door te brengen.
Dat ik in een inrichting thuis hoor heb ik van hem wel vaak genoeg te horen gekregen, dat dan weer wel.

Annabel

Geef een reactie