Wanhoop op het wad

Dit is een gastcolumn van Janneke

‘Vorige keer heeft hij me teruggehaald, me gezegd dat hij me altijd weet te vinden. Dat er toch niemand is die mij gelooft.’
‘En toen?’
‘Toen is mijn leven doorgegaan. Eenzaam. Ongelukkig. Ik wist alleen niet waarom.’

Sophie sjokt het laatste stuk door de kwelder. De huurfiets heeft ze bij het baken achter gelaten. De scholeksters doen hun krijgsdans en zelfs haar lievelingsgeluid, het geklok van de wulp, is te horen. Het geluid neemt de kortste weg tot haar ziel. Zelfs nu, nu ze zich nauwelijks bewust is van haar omgeving, wekken de wadvogels haar weer tot leven.
De korte roep van de tureluur, Sophie fluit gewoontegetrouw terug. Als er een groep ganzen opvliegt, vertraagt ze haar pas. Er passeert een slechtvalk op rooftocht. Dan toch de kijker maar even pakken. Waarom heeft ze die eigenlijk meegesleept? Met de rugzak aan haar voeten speurt Sophie de kwelder af. De slechtvalk neemt een duik en haar beeld blijft hangen bij een blokkendoos op het verlaten wad. Een hut? Een vogelkijkhut? Zo’n eind uit de kust?
Sophie kijkt schichtig om zich heen, stopt de kijker weg en stroopt haar broek op. Dat was toch al het plan. Ze laat haar sandalen staan en loopt over het zeekraal tot aan de slikrand. Voorzichtig stapt ze de slenk in. Het is opkomend tij. Een goed moment voor de hut.
Daarna ziet ze wel verder.

Ralf heeft de consternatie in de kwelder opgemerkt. Hij turft de slechtvalk op de waarnemingenlijst en pakt zijn kijker. De drieteentjes vliegen laag over richting vaste land. Ook de ganzen formeren zich, op weg naar hoger gelegen gebied. De valk verdwijnt in duikvlucht. Loopt daar nou iemand? Die heeft hier niks te zoeken. Snel draait hij de brander uit, schuift zijn rugzak in de hoek en trekt het luik dicht. Gespannen wacht hij af.
Het wad tikt haar belletjes. Pierenpraatjes, mosselspuitjes, kokkelslurpjes. Wie weet wat zich daar allemaal afspeelt? Soms doet hij mee met het bodemonderzoek, maar liever ziet hij zichzelf als vogelaar. Ralf de Kijkert wordt hij hier op het eiland genoemd. Hij is veel alleen op pad en doet belangrijk werk op het gebied van de vogelstand.
Er scheert een tureluur langs. Ralf kijkt vreemd op als het geluid zich vlak achter de hut herhaalt.  Zompige stappen verraden een vrouw. Ralf ziet haar door de kieren om de hut heen lopen. Gemorrel aan het luik.

De wereld lijkt stil te staan. Sophie kijkt naar haar voeten die tot halverwege haar enkels in de zwarte smurrie zakken. Ze hoort de stilte en de tikjes in het wad. Het korte gekef van een eenzame brandgans die overvliegt.
‘Hoi.’ Ralf hangt ondersteboven met zijn kop uit het luik. ‘Wat doe jíj hier?’ Sophie kijkt geschrokken op.
Ze overweegt haar kansen. Als ze om zich heen kijkt ziet ze het eindeloze wad, met in de verte vaag de kwelder. Aan de andere kant het opkomende water. Het valt haar nu pas op. Kleine golfjes die her en der van zich laten horen. De kuil bij haar voeten is al volgestroomd.

‘Ik dacht dat hier misschien niemand…’
‘Ah, een rustzoeker! Zolang ik er ben, zul je die hier niet vinden’, lacht Ralf. ‘Een kop soep?’, voegt hij er tot zijn eigen verbazing aan toe. Verrast kijkt Sophie hem aan. Als ze omhoog klimt ruikt het inderdaad naar soep. Ralf steekt de brander weer aan. Sophie rilt.
‘Hier, een deken, mag je wel op zitten. Kom je voor het wad?’
‘Ehh, nee …. eigenlijk voor de zee.’
Sophie kan weer adem halen. Er ontsnapt haar een diepe zucht. Het water klotst tegen de palen. Door het openstaande luik ziet ze het stromen.
‘Ook een vogelaar?’, vraagt Ralf.
‘Ehh, ja, nee, met de paplepel ingegoten.’
Ondertussen heeft Ralf de soep in een plastic mok gedaan en pakt een lepel uit het zijvak van zijn rugzak.
‘Dank je.’ Ze is uitgehongerd.

‘Stuk brood?’ Ralf breekt de grijze homp in tweeën. ‘En nu maar afwachten, hè? Meestal slaap ik wat. De vogels wekken me vanzelf met hun herrie en gefoerageer. Zes uur op, zes uur af, hè?’ Sophie knikt. Ze heeft haar soep op en probeert kalm te blijven. Het water komt snel omhoog, precies zoals ze had verwacht. ‘Trouwens, ik ben Ralf.’ Ralf steekt zijn hand uit. Sophie aarzelt. Als Ralf zijn hand weer terugtrekt, kijkt ze hem geschrokken aan.
‘Ik wilde eigenlijk weer gaan.’ Haar stem klinkt breekbaar. Ze hoort het zelf ook. Lange tijd is het stil in de hut. Ralf lepelt met het brood de laatste soep uit de pan.
‘Wat zijn je plannen? Heb je een slaapplek op het eiland?’
Sophie kijkt beschaamd om zich heen. Haar blik gaat alle kanten op.
‘Hé joh, geen paniek. Heb je iets geboekt? Je kwam toch niet zomaar naar dit eiland?’ Sophie pakt haar rugzak. Ralf slaakt een zucht.
‘Hoe wil je dat aanpakken? Je bent ver voorbij de vierde slenk.’ Ze sluit haar armen om de rugzak heen en trekt haar benen op.
‘Waar kom je vandaan? Ben je alleen?’
Sophie maakt zich nog kleiner. Ze kijkt naar hoe het water halverwege de palen onder de hut door stroomt.

‘Ik ben gevlucht.’
Ralf kijkt geschrokken op. ‘Waarvoor?’
Ze haalt haar schouders op. ‘Voor alles.’
‘Was het zo erg?’
Sophie kijkt hem verwonderd aan. ‘Nee, dat niet, ik weet eigenlijk niet.’
Ralf begint zich zorgen te maken. Hier wegkomen zal niet zo makkelijk meer gaan, hij kent het tij op zijn duimpje. Nou ja duim dan. Hij staart naar de dikke snee, die hij vorige week opliep, tijdens het vallen zetten.
‘Ik heb er natuurlijk niks mee te maken, maar hoe ehh…, wat waren je plannen, nu je ehh…, op de vlucht bent, zeg maar.’
Weer is het lange tijd stil.
Ze kijken tegelijkertijd op. Ralf in het bleke gezicht met de fletsblauwe ogen, Sophie in het verweerde gezicht van de vriendelijke man. Ze ziet het nu pas: de bezorgde blik, de tederheid waarmee hij haar opneemt. Met een verlegen lachje steekt ze haar hand uit: ‘Sophie. En niet van plan de laatste boot te halen hoor’, bluft ze er achteraan.
‘Dat gaat je niet lukken ook’, lacht Ralph, terwijl hij haar de hand schudt. ‘Meestal trek ik rond deze tijd het luik dicht en veroordeel mezelf tot absolute stilte. Maak het je gemakkelijk, over een uur verdwijnt de zon.’
Sophie komt in beweging, pakt haar kijker en klimt naar het bankje bij het westelijk kijkgat. De hemel staat in brand. De zee lijkt blauwer dan ooit. In de verte vliegt een groep eenden strak langs de horizon.
‘Zwarte zee-eenden’, zegt ze als vanzelfsprekend. Ralf komt overeind en noteert de waarneming. ‘Mag ik naast je?’

Het bankje is krap, de hut te laag om te staan. Sophie schuift zo ver als mogelijk op.
‘Heeft ie je geslagen?’
Verbaasd kijkt ze opzij.
‘Je man, ben je daarom weggegaan?’
Sophie haalt haar schouders op.
‘Ja, dat wel, maar dat was niet het ergste.’
‘O nee?’ Ralf tuurt door zijn kijker. ‘Had je kinderen dan?’
‘Ja, nee, die mocht ik niet meer zien van hem.’
‘Je kinderen? Je eigen kinderen?’ Ralph heeft zijn kijker laten zakken en neemt haar van dichtbij op: ‘Wat erg!’
De blik van Sophie blijft hangen tussen blauw en horizon.
‘Sophie, ik zei je al, ik wil me er niet mee bemoeien, maar als een moeder haar eigen kinderen niet mag zien, wat is er gebeurd dan?’
‘Niks, het kon gewoon niet.’ Sophie reageert, maar lijkt vertrokken. Haar doel van vandaag is dichterbij dan ooit. Ze zweeft boven zee en verdwijnt met het rood achter de zee-eenden aan.
‘Sophie?’ Ralf legt een hand op haar schouder. ‘Sophie, het is duidelijk dat je weggevlucht bent. Verder dan hier kun je niet. Hier ben je veilig.’ Ralf volgt haar blik.
De horizon schraapt het rood bijeen. Het blauw van de zee lijkt nooit te hebben bestaan.
‘Maar zie je ze nu nog wel?’
‘Nee, dat heeft hij verboden.’ Ralf kijkt haar vol ongeloof aan. Sophie schuift in elkaar van ellende. Als vanzelf schuift de arm van Ralf om haar heen.
‘Het geeft niet’, zegt hij, ‘ik begrijp er alleen niks van.’

Het hele verhaal komt met horten en stoten. Sophie kan het zelf niet geloven dat het zo is gegaan. Ralf heeft nog wat te eten, de brander staat aan.
‘Maar geloofde je dat dan?’ ‘Waar haalde hij het lef vandaan?’ ‘Wie denkt hij wel dat hij is?’ Het is alsof er een film onder hoogspanning wordt teruggespoeld. Sophie ziet de beelden, Ralf ontrafelt: ‘Maar als hij dat keer op keer zei, moet je toch denken dat je gek was.’
‘Haha, dat zei hij nou ook!’ Sophie tovert een bevrijdende lach tevoorschijn.
Ralf schudt voor de zoveelste keer zijn hoofd. Voor het eerst sinds uren is het weer stil in de hut. Heel af en toe de roep van een verdwaalde wulp of tureluur. Maar Sophie fluit niet meer terug. Ralf is diep aangedaan.
Nog nooit heeft hij zoiets gehoord. Dat er mensen bestaan die willens en wetens de ander er onder willen krijgen, hun leven, hun kinderen.
Relaties zeiden hem al niets. Zolang hij het maar met zichzelf kan vinden, is zijn motto. En met de natuur. Maar dat heeft deze vrouw ook! Ze kan een tureluur van een witgatje onderscheiden en naar beide fluiten ook! Hoe heeft ze zich zo kunnen laten opsluiten? Insluiten? Afsluiten?
‘Mmm’, Ralf proeft de woorden en ziet hoe Sophie zich in de deken heeft gerold. Hij trekt zijn parka wat dichter om zich heen en legt de rugzak onder zijn hoofd.

Als Sophie wakker wordt, kiert het ochtendlicht door het oostelijk kijkgat. Ze moet een uurtje hebben geslapen. Nog voor ze het zich beseft, neemt de paniek het van haar over. Herinneringen vechten om voorrang. Op nog geen meter afstand hoort ze hoe Ralf rustig ademhaalt.
Ze sluit haar ogen weer. Zou Mathijs haar al missen? Waarschijnlijk slaapt hij bij Ada. Ze zag hem al nooit. En toch wist hij haar het idee te geven dat ze er moest zijn. Voor hem, voor de omgeving. Iedereen wist toch hoe het met haar ging? Dat zei Mat. Dat ze beter niet mee uit kon gaan. Of een rare indruk maakte. En als ze wel mee mocht, ging hij later als een gek tekeer: Hoe ze het in haar hoofd gehaald had dat….? Ja, wat eigenlijk? Wat deed ze nou al die tijd verkeerd?
Ralf is opgestaan en trekt voorzichtig het luik open. Sophie doet alsof ze nog slaapt. Beneden haar hoort ze een lange stroom het water in kletteren. Nu moet ze ook heel nodig. Voorzichtig komt ze overeind.
‘Hallo, ook wakker?’ Met zijn slaperige hoofd klimt Ralf weer naar binnen. ‘Als jij ook moet, sluit ik het luik, heb jij alle privacy.’ Uit zijn rugzak komt een rol toiletpapier tevoorschijn.
Sophie wil hem bedanken, maar er komt geen geluid. Op haar billen schuift ze naar het het trapje en klimt een paar sporten naar beneden. Het zeewier en de pokken op de palen zijn alweer zichtbaar. Ralf sluit het gat boven haar.
Als ze boven het water hangt, lukt het haar zowaar te ontspannen. Een ongekend vrij gevoel maakt zich van haar meester. Hier hangt ze, in haar blote kont, midden op het stille wad. De ochtendnevel laag boven zee. Haar plas stroomt mee met de terugtrekkende beweging van het water. Dat ze gisteren door had willen lopen…..
Er trekt een rilling van haar tenen tot in haar kruin.

‘Kop thee met biscuits?’
In de hut hangt een muffe slaaplucht, vermengd met de geur van zwarte thee. Ralf heeft de deken voor haar opgevouwen. Sophie kruipt weer naar haar plekje.
‘Heb je een beetje geslapen?’ Ralf neemt haar met een bezorgde blik op. ‘Het was ook niet niks hè, vannacht, wat je allemaal vertelde. Daar kan een mens wel van wakker liggen.’
Sophie trekt haar benen op en zet de beker aan haar mond. Ze staart voor zich uit.
‘Sophie?’ Sophie knippert met haar ogen, haar gezicht maakt een vreemde grimas. Ze begint onbedaarlijk te huilen. Met het kopje voor zich uit gestoken, schokschoudert haar lichaam mee met haar gesnik.
Het doet Ralf denken aan een kat in nood, of nee, een haas in één van zijn vallen. Wat kan hij anders, dan haar laten huilen?
Beetje bij beetje komt ze tot zichzelf. Het snikken lost op als het laagtij na de vloed. Buiten keert het leven terug in het wad. Pierenpraatjes, mosselspuitjes, kokkelslurpjes. De drieteentjes scheren langs.
‘Heb je al eens hulp gezocht?’ vraagt Ralf voorzichtig.
Sophie kijkt op.
‘Hulp? Hulp van wie?’
‘Nou ja, je huisarts ofzo, die kan je doorverwijzen.’
Sophie schudt verwoed haar hoofd.
‘De huisarts?! Die man?! Dat is mijn man!’
Ralf kijkt haar geschrokken aan.
‘Maar Sophie!’ Het is alsof Ralf de film van vannacht opnieuw voorbij ziet komen.
‘Hij wordt op handen gedragen Ralf, de mensen lopen met hem weg.’
‘Dus hij mishandelt je, laat je volkomen in de steek en speelt naar buiten toe de rol van perfecte arts en echtgenoot?’
Sophie recht haar rug.
‘Ja, en mij thuis een beetje lopen te commanderen. Ik ben zijn assistente niet!’
Hoe is dat te rijmen, vraagt Ralf zich af, deze resolute vrouw, met de verhalen van vannacht? Hij krabt zich letterlijk achter het oor.
‘Weet je familie hiervan?’
‘Mijn familie? Mijn familie weet van niks. Zelfs als hij in de praktijk slaapt, zelfs dan. Dan is er niemand die bedenkt dat Ada daar woont. Het komt niet in ze op! Hij rijdt openlijk op en neer. Een populaire man en….’
‘En wat, Sophie?’
‘Ach laat maar, Ralf. Het is toch niet te bevatten.’

Als ze weer buiten staan, sluit Ralf het luik en haakt de ladder vast. Sophie staat te wachten en voelt hoe de sompige kou tussen haar tenen omhoog trekt.
‘Wat een heerlijk gevoel is dat toch!’ Ze ziet er ontspannen uit. De opkomende zon kleurt haar gezicht rozerood. Ze vangt zijn blik.
‘Ik heb al die jaren niet kunnen huilen Ralf, zelfs niet als hij me sloeg. En ik werd nooit boos. Ik dacht altijd dat het aan mij lag’.
Ralf schudt zijn hoofd en trekt zijn rugzak strakker. ‘En…ehh…, was je gisteren nou echt van plan om…?’
‘Dat was gister Ralf…. kom we gaan!’ Sophie trekt haar voeten uit de smurrie. Als ze de slenk bereiken, staan haar schoenen er nog net zo als ze ze heeft achter gelaten.
Ralf gooit zijn rugzak neer en haalt er een plastic bakje uit. ‘De lekkerste groente en dat voor niks!’ Hij zakt door zijn knieën en begint met plukken. Sophie volgt zijn voorbeeld.
‘Wat zijn je plannen nu, Sophie?’
Sophie haalt haar schouders op.
‘Vorige keer heeft hij me teruggehaald, me gezegd dat hij me altijd weet te vinden. Dat er toch niemand is die mij gelooft.’
Ralf stopt met plukken.
‘En toen?’
‘Toen is mijn leven doorgegaan. Eenzaam. Ongelukkig. Ik wist alleen niet waarom.’
Het bakje met zeekraal verdwijnt in de rugzak van Ralf. ‘Genoeg voor twee’, oppert hij. ‘Als je wilt….ik woon in een klein huisje om de Noord.’

Het is stil in de kwelder. De slechtvalk scheert langs. Het korte gekef van de brandgans. De rietganzen op de uitkijk. Sophie gaat langzamer lopen.
‘Ik zat te denken Ralf. Hier op het eiland, voel ik wie ik ook alweer was. En als jij er niet geweest was….’ Sophie bloost. Nog rozer dan in de ochtendzon.
Ralf slaat zijn ogen neer.
‘Vergeef me, Ralf, ik weet niet meer waar ik thuishoor, het is beter dat ik niet met je meega.’
Het lamsoor ruist onder hun slepende pas. Er landt een tureluur in het slijkgras. Sophie blijft staan. Ze kijkt Ralf recht aan.
‘Lijkt me lekker hoor, die zeekraal, maar ik heb nog een boel uit te zoeken, begrijp je?’
Ralf knikt. ‘Wat zijn je plannen?’
‘Geen idee!’ Ze gooit beide armen tegelijkertijd de lucht in. De tureluur vliegt op: tju-lu-luu. Sophie fluit terug.
‘Je redt je wel?’, vraagt Ralf, nog niet helemaal gerustgesteld.
‘Ja, maar om mijn plan te trekken, moet ik bij mezelf te rade gaan. Dat deed ik vroeger en dat kan ik nu ook!’ Ze steekt haar hand naar hem uit. ‘Mijn fiets staat bij het baken.
Ralf aarzelt.
‘Toe Ralf, zodra ik weer gesetteld ben, laat ik van me horen.’
‘Maar Sophie….’
‘Ralf, je hebt er geen idee van hoe dankbaar ik je ben, wat het me gedaan heeft hier naartoe te komen. Ik leef! En ik sla geen dag meer over.’

 

9 gedachten over “Wanhoop op het wad”

  1. Mijn ex-man is ook arts, specialist, ook op handen gedragen door zijn patiënten… en ja, ik was ook gek, zei hij… Dank je wel, Sophie, voor het delen van je verhaal. Ook ik leef en ook ik sla geen dag meer over!

  2. Wat een mooi, poëtisch stuk. Ik moest even door het begin heen, omdat nog niet helemaal duidelijk was waar het over ging. Tot ik werd gegrepen door het verhaal en het leed van Sophie dat stukje bij beetje onthuld wordt. Wat ik vooral mooi vind is hoe de reactie van een ‘onwetende derde’ wordt beschreven. De schok van die man. En hoe hij haar tot steun is… gelukkig maar.

  3. Mooi verhaal ondanks alles gebeurde, na een narcistische (ex) schoonmoeder, (ex) man, zoon en dochter, heb ik mijzelf langzaam weer gevonden. Gelukkig heeft mijn zoon aan zichzelf gewerkt en heeft een goede vrouw en een dochtertje die Sophietje!!! heet. Vergeten doe je het nooit, neem afstand, creëer een kleine groep om je heen en stop het in een la! Deze tips heb ik onder andere van Iris Koops, intuïtief had ik al veel van deze stappen zelf ondernomen, ik weet, het is een heel proces… je bent sterk!!! Leg de verantwoordelijkheid bij degene die het veroorzaakt heeft en hou op asjeblieft met twijfelen aan jezelf! Veel liefs Emerentiana

  4. Wat een prachtig stuk en wat komt het binnen. Het raakt me echt hoe je het e.e.a. beschreven hebt; ik voel de eenzaamheid, het verdriet en het ongeloof over wat je hebt meegemaakt. Gevoelens die zo herkenbaar zijn. Maar ik voel ook je kracht en dat is mooi om te lezen. Je stuk maakt veel emoties bij me los. Dit is niet erg, dat is juist goed. Bedankt voor het delen van dit verhaal.

  5. Het is een script voor een filmp(je), het zou heel goed overkomen. Inderdaad hoe Ralph reageert vol verbazing en daarmee eigenlijk alles op z’n plaats zet, hoe absurd de situatie is.

  6. Het zal, helaas, onmogelijk wezen, maar wat zou het mooi wezen wanneer er een heel leger van slachtoffers alle personen die anderen op deze vreselijk onmenselijke manier behandelen, en public, ter verantwoording zouden kunnen roepen. Met de schade die ze hebben aangedaan voor de hele wereld te zien en te horen. De onmacht tegen deze ontaarde mensen is in je eentje niet te dragen. Sterkte met elkaar en steun elkaar!

  7. Janneke, wat ontzettend mooi beschreven hoe ze zich voelt Sophie, ik voel het helemaal zelf. Ik moest in het begin ook even zoeken waar het heen ging. Wat je beschrijft over vogels spreekt me ook aan. Je kan wel schrijven zeg. Ik heb niet eerder zo zitten snotteren bij een blog. Het kwam ook zo binnen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *